De grootste stressfactor in een kantoortuin is niet het lawaai.
“Sorry hoor, maar kunnen jullie éven ergens anders gaan praten?” Iedereen die in een kantoortuin werkt, heeft dat wel eens gedacht, gezegd of horen zeggen.
De dynamiek is bekend: luidruchtig bellen of praten. Een Teams-overleg waarbij de halve afdeling meeluistert. Of die ene collega die de hele dag hoorbaar zucht. Op zichzelf kleine ergernissen, maar ze vormen een constante stroom aan prikkels die ongemerkt veel energie kost. Net wanneer je diep gefocust bent, word je er weer uitgetrokken.
Ondertussen slik je je irritatie in. Je wilt immers niet bekendstaan als de collega die overal over klaagt. Dus probeer je nóg beter te focussen en je zegt niets. Of je houdt het uiteindelijk niet meer en ontploft. Waarop de collega’s die de onrust veroorzaken elkaar veelbetekenend aankijken en zachter verder praten of ergens anders het gesprek voortzetten.
Als coach hoor ik vaak op de werkvloer:
“Er is niets aan te doen.”
“Ik wil niet zeuren.”
“De anderen zeggen dat ze er niet zo’n last van hebben.”
Maar er is vaak wél iets aan te doen. Alleen vraagt het om een gesprek dat niemand graag begint. Dat voortdurend onderdrukken van irritatie vreet energie en is een bron van stress. Het valt mij op dat organisaties de oplossing graag zoeken in de fysieke inrichting: geluidsschermen, stilteruimtes of noise-cancelling koptelefoons. Soms helpt dat. Maar het blijft symptoombestrijding.
De werkelijke vraag is: voelen mensen zich veilig genoeg om elkaar hier respectvol op aan te spreken?
De meeste collega’s hebben geen slechte bedoelingen. Wie luid belt, heeft vaak niet door hoeveel anderen daar last van hebben. Het probleem ontstaat pas wanneer niemand zich vrij voelt daar iets van te zeggen. Het gaat om de vrijheid om alledaagse irritaties bespreekbaar te maken, zonder bang te hoeven zijn als ‘lastig’ te worden gezien. Daar begint een gezonde werkcultuur. Een goede werkomgeving hoeft niet muisstil te zijn, maar vraagt wel om een cultuur waarin collega’s elkaar durven aan te spreken.
Zo’n cultuur ontstaat niet vanzelf. Leidinggevenden spelen daarin een belangrijke rol door zelf het goede voorbeeld te geven en kleine irritaties bespreekbaar te maken voordat ze uitgroeien tot grote frustraties.
De omgang in een kantoortuin zegt veel over de cultuur van een organisatie.
Waar mensen zich veilig voelen, spreken ze elkaar aan voordat irritatie omslaat in frustratie. Waar dat niet gebeurt, helpen zelfs de beste geluidwerende koptelefoons niet. Want uiteindelijk is de grootste stressfactor van een kantoortuin niet het lawaai, maar de energie die opgaat in alles wat collega’s niet tegen elkaar zeggen.
De grootste stressfactor in een kantoortuin is niet het lawaai.
“Sorry hoor, maar kunnen jullie éven ergens anders gaan praten?” Iedereen die in een kantoortuin werkt, heeft dat wel eens gedacht, gezegd of horen zeggen.
De dynamiek is bekend: luidruchtig bellen of praten. Een Teams-overleg waarbij de halve afdeling meeluistert. Of die ene collega die de hele dag hoorbaar zucht. Op zichzelf kleine ergernissen, maar ze vormen een constante stroom aan prikkels die ongemerkt veel energie kost. Net wanneer je diep gefocust bent, word je er weer uitgetrokken.
Ondertussen slik je je irritatie in. Je wilt immers niet bekendstaan als de collega die overal over klaagt. Dus probeer je nóg beter te focussen en je zegt niets. Of je houdt het uiteindelijk niet meer en ontploft. Waarop de collega’s die de onrust veroorzaken elkaar veelbetekenend aankijken en zachter verder praten of ergens anders het gesprek voortzetten.
Als coach hoor ik vaak op de werkvloer:
“Er is niets aan te doen.”
“Ik wil niet zeuren.”
“De anderen zeggen dat ze er niet zo’n last van hebben.”
Maar er is vaak wél iets aan te doen. Alleen vraagt het om een gesprek dat niemand graag begint. Dat voortdurend onderdrukken van irritatie vreet energie en is een bron van stress. Het valt mij op dat organisaties de oplossing graag zoeken in de fysieke inrichting: geluidsschermen, stilteruimtes of noise-cancelling koptelefoons. Soms helpt dat. Maar het blijft symptoombestrijding.
De werkelijke vraag is: voelen mensen zich veilig genoeg om elkaar hier respectvol op aan te spreken?
De meeste collega’s hebben geen slechte bedoelingen. Wie luid belt, heeft vaak niet door hoeveel anderen daar last van hebben. Het probleem ontstaat pas wanneer niemand zich vrij voelt daar iets van te zeggen. Het gaat om de vrijheid om alledaagse irritaties bespreekbaar te maken, zonder bang te hoeven zijn als ‘lastig’ te worden gezien. Daar begint een gezonde werkcultuur. Een goede werkomgeving hoeft niet muisstil te zijn, maar vraagt wel om een cultuur waarin collega’s elkaar durven aan te spreken.
Zo’n cultuur ontstaat niet vanzelf. Leidinggevenden spelen daarin een belangrijke rol door zelf het goede voorbeeld te geven en kleine irritaties bespreekbaar te maken voordat ze uitgroeien tot grote frustraties.
De omgang in een kantoortuin zegt veel over de cultuur van een organisatie.
Waar mensen zich veilig voelen, spreken ze elkaar aan voordat irritatie omslaat in frustratie. Waar dat niet gebeurt, helpen zelfs de beste geluidwerende koptelefoons niet. Want uiteindelijk is de grootste stressfactor van een kantoortuin niet het lawaai, maar de energie die opgaat in alles wat collega’s niet tegen elkaar zeggen.















